rijsoord banner

SCHOONE KUNSTEN
PICTURA.
Charles van Wijk [1875-1917]. I.


Aan de overal veldwinnende gewoonte om tijdens de Kerstvacantie de feeststemming ook met kunst te verhoogen,
houdt het teekengenootschap ‚,Pictura” zich, door tot half Januari een tentoonstelling open te stellen
van meer dan dertig beeldhouwwerken in pleister en brons door Charles van Wijk.
„Is, naar de spreekwijze, het loon der kunst een traan”, de plastische heeft in „het land van Rembrandt”
veelal niet te erg te klagen; doch voor den beeldhouwer blijft Nederland te klein. Te klein, te eenvoudig,
te huiselijk, te zeer het tegendeel van monumentaal. Men hoeft aan Rome niet te denken, men stelle
zich slechts Brussel voor, Brussel’s pleinen en breede straten, een aanleg als om den Jardin Botanique.
Nochtans hebben de middeleeuwen met hun kleine pleintjes en nauwe, bochtige straatjes, een prachtigen overvloed
gehad van die kunst. Het ligt dus minder aan den aanleg onzer steden, dan aan ònzen aanleg en onze zeden, dat de
beeldhouwkunst hier nooit, gelijk in België, de gelijkwaardige der schilderkunst heeft kunnen zijn.
Charles van Wijk mag, in dit verband, van geluk spreken ; hij heeft zich reeds jong populair weten te maken in den
lande. Waarschijnlijk dankt hij dit aan het humanistische in zijn kunst. Men heeft hem een volgeling Van Meunier
genoemd. Een vergelijking kan zeker gemaakt, al blijkt „het derde” al spoedig vrij sterk. Wat de mijnen voor
den grooten Belg geweest zijn, is de Veluwe voor den jongen Hollander. Op den ‚,valen”, schralen heigrond van
Nunspeet leven de nederigen, wier moeilijk leven Van Wijk met deernisvolle liefde
; Wier physionomie, wier doen
en gebaren, wier karakter hij met liefdevolle nauwgezetheid heeft bespied. Hoe weinig halen zij uit hunnen grond,
hoe lang zijn in den zomer de dagen, hoe kort in den langen winter de maaltijden! „Hun Rijkdom” - man en vrouw
hebben hem op den kruiwagen. Om dezen gevuld te krijgen, is er getobd en gezwoegd. Maar bovenop den luttelen
dagoogst ligt de andere rijkdom, en wat die is voor de niet-schoone, schrale, borstlooze, stijf en stram zich
bewegende, maar o zoo liefdevol-geduldige „Moeder“, dat geeft nog menig ander beeld. Het Veluwsche boerenvolk
is godsdienstig. Het zal zeker vele ondeugden hebben; het is veelal stug, het mist alles wat uiterlijk zou kunnen
bekoren. Maar het heeft het schoone geduld, dien eenvoud, dien ootmoed, die niet toelaat te morren.
Deze trouwe plichtsbetrachting, deze stille moederliefde spreken van zelf. Zonder eenig idealiseeren heeft
Van Wijk dat menschelijke in zijn beelden kunnen leggen. En juist hierdoor hebben zij een aantrekkingskracht,
ook voor de menigte.
A. O.

SCHOONE KUNSTEN
PICTURA.
Charles van Wijk. II.


't Is tien jaar geleden, dat ik Van Wijk leerde kennen. ’t Was te Nunspeet, waar we
logeerden in de boerderij van Jannetje. Welke, als alle zomers, propvol logées was. ’s Avonds
werd er thee gedronken in de serre, die tegen de keuken was aangebouwd, totdat we op
zekeren dag, toen we uit het bosch kwamen, bemerkten, dat ons thee-zitje herschapen was
in een slaapkamer. „Meheer Van Wijk zou er komen te slapen,” vertelde de boerin, „er
was nergens anders plaats meer als in den hooizolder, en daar kon ze meheer toch niet
stoppen."
- Waar we dan thee moesten drinken voortaan >.
- O! op het bleekveldje onder den appelboom ! .....
- En moesten we de lamp dan maar aan de takken hangen?
- Nee! . de lamp die kreeg natuurlijk meheer Van Wijk! we moesten dan maar, als we niet in den donker wilden zitten, zelf een staande lamp in het dorp koopen ....
Is het te verwonderen, dat we nieuwsgierig varen wie toch die meheer Van Wijk kon zijn,
die het recht scheen te hebben, ons zoo te verjagen, en dat hij, bij zijn aankomst op de hoeve,
met nieuwsgierigheid begluurd en bespied werd
Ik zie nog zijn slanke, magere gestalte, zijn scherp geteekend, bleek gezicht met pikzwart haar
en zwarte wenkbrauwen, zijn hagelwitte boordje en slap zwart hoedje met neergeslagen rand.
Hij had lenige breede bewegingen, een sterksprekende gelaatsuitdrukking en zijn blik was geestig
als hij wat vertelde. ’s Avonds, op het bleekveldje rondom de lamp, deed hij heerlijke verhalen
van zijn artiestenleven en hoe hij den heelen dag werkte, meest buiten op het veld, waar
hij uren lang met zijn kleiblok achter de ploegende paarden en werkende boeren aanliep, om hun
bewegingen op te vangen. Of ook binnen in de hutjes, in de heibuurt van „het donkerste Nunspeet”,
de kolonie links van den Straatweg naar Harderwijk, waar ook de schilders gretige modellen vinden
en
aan de woninkjes, tegelijk met de ergste armoe, het felste blauw, op de muren gestreken.
,‚Wat” hij van de Nunspeters gemaakt heeft, een ieder weet het nu reeds lang, en Dordrecht heeft
dezer dagen het voorrecht zijn zeldzaam mooie kunst in Pictura te kunnen beschouwen. Hier zien we ze alle bijeen:
zijn ploegende ossen met achter hen de boer, het sein gevend tot, omkeeren; zijn maaier op een heeten
zomerdag in het koren, de haren van ’t zweet vastgeplakt op ’t voorhoofd en het gelaat van moeheid
ingevallen en diep gegroeid. Zljn ,‚Beertje”, oud en stram, ’t hoofd op de borst gezakt en het lijf
in het wijde jak gestoken, één arm naar achter, om zich voort te duwen en de andere mager
en verrîmpeld met de groote werkhand stijf tegen de schoot gedrukt.
En zijn oudje, van misschien wel honderd jaar, aan het spinwiel‚ en de herdersjongen met zijn stomme
maar toch leuke boerentronie leunend op zijn stok. Ze leven zoo echt al die menschen!
De beeldhouwer heeft ze zoo door en door gevoeld ‚‚in hun beweging”! Dat is, dunkt mij, het enorme in van
Wijk’s kunst. Om de schoonheid van die beweging uit te drukken en den gemoedstoestand, daarom is het
Van Wijk te doen. Zie, hoe zijn ‚‚Krijntje” (19) met den tandenloozen mond vergenoegd glimlacht, ze
heeft een goed leven achter zich, zij is tevreden. Háár leven is vrij gebleven van den kommer en
de zorg, die we zien op het kopje hier naast, van de moeder die zwoegt en tobt en niet weet hoe rond te
komen met haar luttele inkomsten en haar groot gezin. En het kleintje hier achter, hoe schreeuwt het
uit alle macht van pijn, van honger misschien, en niemand die het hoort! Wat verder in het werk van
Van Wijk bekoort‚ is de schoonheid van den stand, dien hij kiest. Een zelfde landschap kan mooi en leelijk zijn,
dit hangt geheel af van het moment waarop we het zien; zoo kan ook een zelfde figuur mooi of onbelangrijk zijn,
al naar mate de stand dien het inneemt. Van Wijk kiest altijd een mooien stand, een mooi moment.
Beschouwen we b.v. de ploegende ossen. Deze zijn juist genomen vóór de kromming der voor, als de ossen
zich plaatsen om om te draaien, als de ploeg zwenkt en de boer deze met de linker knie en hand tegen houdt,
terwijl de rechter de nu slap over den grond neeihangenden lijn ophoudt, en hij het hoofd vooruitsteekt
en zijn oog nauwkeurig oplet, dat de draai op het juiste moment wordt genomen en hij met wijd geopenden mond
de ossen het sein tot keeren toeroept. Welk een prachtige losse compositie van twee toch zoo logge bonkige dieren!
En beschouwen we den stand van den ploeger, zooals we hem hier zien uitkomen tegen het goudbruin dat langs het
behang strijkt, prachtig van lijn en licht en schaduw! Zoo zouden we elk beeld afzonderlijk willen behandelen, want elk
heeft een diep ingrijpend eigen karakterschoon.
Er zijn een paar beelden op deze tentoonstelling, waarin we niet Van Wijk herkennen, waarin niet is wat hij geven
kan, een paar aardige, koket gekleede kindertjes, lezende in een boek, een welverzorgd klein kinderkopje
en eene dame met haar zuigeling aan de borst. In het laatste b.v. heeft hij niets kunnen leggen van het mooi,
hem eigen, omdat het model het hem niet gaf; en wat het hem had kunnen geven, wat andere beeldhouwers in
dit onderwerp gelegd hebben, wat o.a. Meunier zoo schoon in zijn maar half voltooide laatste werk gaf:
de Madonna, de verheerlijkte moederliefde, de verheven vrouwenschoonheid, het niet te zeggen teedere,
daarnaar heeft Van Wijk niet gestreefd en het beeld zegt ons niets.
Zien we van hier eens naar no. 27 : ‚,Zusje en broer”, het heerlijk slapende kinderkopje met de ronde
wangetjes en het wipneusje boven het open visschetoetje en o, zoo liefkozend er boven, er tegenaan vlijend,
het kopje van broer met de oogjes, een en al nog ongestoorde kinderzaligheid. Welk een verschil !
Zal in het leven van een rijk kind, dat zoo véél bezit, het kleine zusje ooit zulk een zaligheid zijn,
als hier dit boerenkindje uitdrukt? Van Wijk’s kunst, die we als humanistisch kenschetsen, toont
zich hier tevens uitdrukkelijk demokratisoh; de armen geven hem sentimenten, welke hij, naar het schijnt,
bij de niet behoeftigen nog niet vermocht te vinden.
Het bestuur heeft veel eer van het plaatsen der beelden. Zeer mooi komen ze alle dertig in deze betrekkelijk
kleine ruimte tot hun recht.
A.O

Dordrechtsche Courant 25 en 31-12-1908